Interpretatie spiegels:

Continu infuus:afname bij “steady state”. 
Intermitterende therapie: dalspiegel: vlak voor een nieuwe gift, topspiegel: 1 uur na de start van een gift toegediend over 30 minuten. 

Streefwaarde bij continu infuus: 50 mg/l. intermitterende therapie: berekende gemiddelde concentratie 50 mg/l, een topspiegel < 100 mg/l en een dalspiegel > 25 mg/l.  

 

Deze richtlijn gaat uit van behandeling met een startdosering afhankelijk van de nierfunctie:

Intermitterende toediening

  • normale nierfunctie (> 80 ml/min): 4 dd 20 mg/kg. 
  • matig gestoorde nierfunctie (50-80 ml/min): 3 dd 20 mg/kg. 
  • ernstig gestoorde nierfunctie (10-50 ml/min): 2 dd 20 mg/kg. 
  • terminale nierfunctie (< 10 ml/min): 1 dd 20 mg/kg. 
  • hemodialyse : 15 mg/kg na elke dialyse. 

Continue infusie

oplaaddosis 30 mg/kg in 30 minuten, gevolgd door 70 mg/kg per 24 uur. Bij nierfunctiestoornis na een normale oplaaddosis continueren met een aangepaste dosering (< 10 ml/min: 15 mg/kg per 24 uur; anurie: alleen oplaaddosis geven; tijdens hemofiltratie (CVVH) 30 mg/kg per 24 uur). 

 

Voor de controle van bloedspiegels geldt de volgende indeling:

Spiegelbeleid bij intermitterende toediening

Zowel een topspiegel als een dalspiegel laten bepalen 24 tot 48 uur na start van de therapie. Vervolgens één tot twee keer per week de dalspiegel controleren en de dosering op geleide hiervan aanpassen. Bij nierfunctiestoornis op aanvraag vermelden: NIERFUNCTIESTOORNIS en eventueel de wijze van niervervangende therapie. 

Spiegelbeleid bij continue infusie

Toediening via continu infuus. Eerste spiegelcontrole 24 tot 48 uur na start van de therapie om 6:00 uur. Vervolgens twee keer per week de spiegel controleren en de dosering op geleide hiervan aanpassen.

 

Korte achtergrond:

Spiegelcontroles dienen regelmatig plaats te vinden om effectiviteit en toxiciteit van de behandeling te kunnen vaststellen. Bij intermitterende toediening wordt gestart met het bepalen van een top en een dalspiegel, vervolgens worden alleen dalspiegels afgenomen. Therapeutische flucytosine serumconcentraties liggen boven de 25 mg/l. Toxiciteit (m.n. beenmerg-depressie) treedt op bij concentraties boven 100 mg/l (wekelijks bloedbeeld controleren). Derhalve wordt in het AMC gestreefd naar een gemiddelde serumconcentratie van 50 mg/l. De hiervoor benodigde dosering ligt lager dan de dosering die staat aangegeven in de (Amerikaanse) literatuur. Bij combinatie met amfotericine B treedt synergisme op. Echter de kans op toxiciteit kan worden verhoogd doordat de klaring van flucytosine door de nier wordt verminderd bij een door amfotericine B veroorzaakte nierfunctiestoornis. 

Bron

Dit is het protocol zoals het vigeert in het AMC te Amsterdam. Contactpersoon: Dr. H.J.M. van Kan, ziekenhuisapotheker